top of page
Aleph Tav — Home
Aleph Tav Studio — Home

Bestaan, moraal en de zin van het leven

1 dag geleden
9 minuten om te lezen

Albert Einstein (14 maart 1879 – 18 april 1955) was een in Duitsland geboren theoretisch natuurkundige, vooral bekend door de ontwikkeling van de relativiteitstheorie. Einstein leverde ook belangrijke bijdragen aan de kwantumtheorie. Zijn formule voor de gelijkwaardigheid van massa en energie, E = mc2, die voortkomt uit de speciale relativiteitstheorie, wordt wel ‘de beroemdste vergelijking ter wereld’ genoemd. Hij ontving de Nobelprijs voor Natuurkunde van 1921 ‘voor zijn verdiensten voor de theoretische natuurkunde, en vooral voor zijn ontdekking van de wet van het foto-elektrisch effect’. Einstein werd geboren als onderdaan van het koninkrijk Württemberg, dat deel uitmaakte van het Duitse Keizerrijk. In 1895 verhuisde hij naar Zwitserland en het jaar daarop deed hij afstand van zijn staatsburgerschap. In 1896, op zeventienjarige leeftijd, begon hij aan de lerarenopleiding wiskunde en natuurkunde aan de Zwitserse federale polytechnische school in Zürich, waar hij in 1900 afstudeerde. Een jaar later verwierf hij het Zwitserse staatsburgerschap, dat hij de rest van zijn leven behield. Daarna kreeg hij een vaste aanstelling bij het Zwitserse octrooibureau in Bern. In 1905 promoveerde hij aan de Universiteit van Zürich. In 1914 verhuisde hij naar Berlijn, waar hij toetrad tot de Pruisische Academie van Wetenschappen en de Humboldtuniversiteit. In 1917 werd hij directeur van het Kaiser Wilhelm-instituut voor natuurkunde. Hij werd ook opnieuw Pruisisch en daarmee Duits staatsburger. Toen Einstein in 1933 de Verenigde Staten bezocht, kwam Adolf Hitler in Duitsland aan de macht. Geschokt door de nazivervolging van zijn Joodse volksgenoten besloot hij in de VS te blijven. In 1940 kreeg hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Er is een vraag die mensen al meer dan honderd jaar bezighoudt. Een van de briljantste mannen die ooit hebben geleefd — de wetenschapper die de wetten van het heelal herschreef en tijd en ruimte begreep zoals niemand vóór hem — wat dacht hij over Jezus? Hebt u daar weleens bij stilgestaan? Het antwoord bestaat. Het werd vastgelegd, gepubliceerd en bewaard in een van de meest gelezen interviews uit de geschiedenis van de wetenschap. Wat Albert Einstein daarin zei, beste lezer, is niet wat de meeste mensen verwachten. Dit verhaal zal u Einstein, het geloof en zelfs de wetenschap in een ander licht laten zien. Voordat we bekijken wat hij precies zei, moeten we terug naar een bepaald moment in zijn leven: het jaar 1929. Einstein was toen zonder overdrijving de beroemdste wetenschapper ter wereld. Enkele jaren eerder had hij de algemene relativiteitstheorie gepubliceerd: een idee dat zo revolutionair was dat het voorgoed veranderde hoe de mensheid zwaartekracht, tijd en ruimte begreep. Kranten overal ter wereld drukten zijn portret af. Hij werd bijna als een beroemdheid behandeld, niet alleen als wetenschapper. Juist op dat hoogtepunt van zijn roem wist een journalist, George Sylvester Viereck, een exclusief interview met hem te krijgen. Het verscheen op 26 oktober 1929 in het Amerikaanse tijdschrift The Saturday Evening Post, onder de titel ‘What Life Means to Einstein’. Het ging niet alleen over natuurkunde. Viereck wilde de menselijke kant van het genie begrijpen. Hij vroeg naar nationalisme, Einsteins Joodse identiteit, zijn geloof in God en de zin van het leven. Op een bepaald moment stelde hij rechtstreeks de vraag in hoeverre Einstein door het christendom was beïnvloed. Hier wordt het verhaal interessant. Einstein werd geboren in een Joods gezin, groeide op binnen de Joodse traditie, bestudeerde de Thora en kwam van kinds af aan met de Talmoed in aanraking. Hij maakte daar nooit een geheim van en sprak verschillende keren trots over zijn Joodse identiteit. Het zou dus begrijpelijk zijn als hij op een vraag over Jezus afstandelijk, misschien zelfs wat koel had gereageerd, zoals iemand uit een andere traditie. Maar dat gebeurde niet. Einstein begon zijn antwoord met de opmerking dat hij als kind onderwijs had gekregen in zowel de Bijbel als de Talmoed. Vervolgens zei hij iets dat tientallen jaren later nog steeds wordt herhaald, bestudeerd en aangehaald door historici, theologen en nieuwsgierige mensen over de hele wereld. Hoewel hij Joods was, zei hij, was hij gefascineerd door de lichtende gestalte van de Nazarener. Die uitspraak geldt als een van de verrassendste dingen die een wetenschapper ooit over Jezus Christus heeft gezegd. Einstein liet het daar niet bij. Viereck merkte dat hij iets belangrijks had geraakt en vroeg rechtstreeks: aanvaardt u het historische bestaan van Jezus? Einsteins antwoord was nog opvallender dan de vraag. Zonder aarzelen antwoordde hij bevestigend: onbetwistbaar. Hij voegde eraan toe dat niemand het Evangelie kan lezen zonder de werkelijke aanwezigheid van Jezus te voelen. Volgens hem leeft de persoonlijkheid van Jezus in elk woord van die teksten. Geen mythe, zei Einstein, is zo vol leven als wat de evangeliën over Jezus vertellen. Sta daar even bij stil. We hebben het over de man die de relativiteitstheorie ontwikkelde: een theoretisch natuurkundige en wiskundige, iemand die gewend was bewijs, vergelijkingen, proeven en bevestiging te verlangen voordat hij een bewering als waar aannam. Hij sprak als iemand die bij het lezen van die teksten werkelijk iets had ervaren. Dat weegt zwaar, want normaal zouden we zo’n reactie verwachten van een theoloog, een predikant of iemand die zijn leven aan het geloof wijdt — niet van de meest gerespecteerde natuurkundige van de twintigste eeuw. En er is meer. Einstein vergeleek Jezus met andere figuren uit de oudheid rond wie eveneens legenden en heldenverhalen bestaan. Hij noemde bijvoorbeeld Theseus, de Griekse mythologische held die de Minotaurus in het labyrint van Kreta versloeg. Volgens Einstein is er een groot verschil tussen de indruk die verhalen over legendarische helden als Theseus achterlaten en de indruk die het lezen over Jezus maakt. Hoe boeiend die helden ook zijn, zij missen volgens hem de authentieke levenskracht die in de verhalen over Jezus te vinden is. Met andere woorden: voor Einstein was er iets tastbaars en anders aan Jezus dat niet in traditionele mythen en legenden voorkomt. Viereck wilde die opvatting verder onderzoeken. Hij verwees naar de schrijver Ludwig Lewisohn, die had geopperd dat veel uitspraken van Jezus in feite parafrases waren van eerdere profeten en wijzen. Daarmee stelde hij de oorspronkelijkheid van Jezus’ woorden ter discussie. Ook nu was Einsteins antwoord verrassend. Hij zei dat niemand kan ontkennen dat Jezus heeft bestaan, noch dat Zijn uitspraken mooi zijn. Zelfs als anderen sommige van die ideeën eerder hadden verwoord, voegde hij eraan toe, had niemand ze ooit zo verheven en zo goddelijk uitgedrukt als Jezus. Dat waren de woorden waarmee Albert Einstein, de man die de natuurkunde herschreef, beschreef hoe Jezus Zich uitdrukte. Het was geen onbeduidend detail, maar een bijzonder krachtige woordkeuze van iemand die geen enkele reden had om te overdrijven of een religieus publiek te behagen. Einstein was geen christen en bekeerde zich nooit. Hij bezocht geen kerk en beleed nooit een geloof in de traditionele religieuze betekenis. Toch sprak er, wanneer het specifiek over Jezus ging, een respect uit zijn woorden dat veel mensen niet zouden verwachten. Om dit verhaal verder te verdiepen, willen we een detail delen dat maar weinig mensen kennen. Jaren na de publicatie begonnen sommige uitspraken over Jezus afzonderlijk te circuleren in tijdschrift- en krantenknipsels, los van hun oorspronkelijke context. Volgens biografen kreeg Einstein op een bepaald moment zo’n knipsel te zien, met de vraag of het werkelijk weergaf wat hij dacht. Hij las de tekst zorgvuldig en bevestigde dat die inderdaad zijn overtuiging weergaf. Het ging dus niet om een losse opmerking die hij in een opwelling had gemaakt en vervolgens was vergeten. Het was een overtuiging die hij later opnieuw bevestigde toen hij zijn eigen woorden kon herlezen. Dat is belangrijk, beste lezer, omdat we leven in een tijd waarin uitspraken van beroemde mensen voortdurend zonder context rondgaan. Aan grote historische figuren worden vaak woorden toegeschreven die zij nooit hebben uitgesproken. Maar dit geval is anders: het interview is gedocumenteerd en gepubliceerd in een destijds gerespecteerd tijdschrift, met datum, naam van de interviewer en volledige context. Bovendien bevestigde Einstein later zelf dat die woorden zijn gedachten weergaven. Toch moeten we eerlijk zijn over een punt dat vaak voor verwarring zorgt. Dat Einstein Jezus bewonderde, Zijn historische bestaan erkende en zelfs woorden als ‘goddelijk’ gebruikte voor Zijn onderricht, betekent niet dat hij christen werd of geloofde dat Jezus de Zoon van God was zoals de christelijke theologie dat leert. Dat is iets anders. Einstein had een heel eigen opvatting over spiritualiteit, die hij in de loop van zijn leven ontwikkelde en die niet zomaar binnen een georganiseerde religie past. Op andere momenten verklaarde hij niet te geloven in een persoonlijke God die Zich bezighoudt met het handelen van ieder afzonderlijk mens, gebeden verhoort en rechtstreeks in mensenlevens ingrijpt. Zijn beeld van het goddelijke lag veel dichter bij een kracht of ordening die het heelal bestuurt, vergelijkbaar met wat de filosoof Spinoza eeuwen eerder had betoogd. Bij een andere gelegenheid zei Einstein dat hij God zag in de harmonie van alles wat bestaat en in de wetten die de kosmos beheersen, niet in een gestalte die ieder individu bewaakt en beoordeelt. Als hij zo’n filosofische visie had, op afstand van de traditionele religie, waarom leek hij dan voor de Nazarener bijna een plaats van eerbied vrij te houden? Ik denk — en dit is een overweging, geen absolute uitspraak — dat Einstein in Jezus iets zag dat verder ging dan een zuiver religieuze kwestie. Zowel als wetenschapper als mens leek hij de historische en morele kracht te erkennen van iemand die, volgens de overgeleverde verhalen, diepgaand veranderde hoe de mensheid liefde, vergeving, opoffering en waarheid begrijpt. Dat is precies wat hij beschrijft wanneer hij over de levenskracht van de evangeliën spreekt en zegt dat Jezus’ persoonlijkheid in elk woord over Hem leeft. Er is nog een detail uit het interview dat zelden ter sprake komt, maar dat we hier essentieel vinden. Toen Viereck in bredere zin naar het geloof in God vroeg, gaf Einstein een antwoord vol bescheidenheid — heel anders dan men misschien van een wetenschappelijk genie zou verwachten. Hij zei dat hij geen atheïst was, maar zich ook geen pantheïst kon noemen. Vervolgens gebruikte hij een prachtig beeld om zijn positie tegenover het mysterie van het bestaan te verklaren. Hij vergeleek de mensheid met een klein kind dat een enorme bibliotheek binnenkomt, vol boeken in allerlei talen. Dat kind weet dat iemand die boeken moet hebben geschreven, maar niet wie of hoe. Het begrijpt zeker niet de talen waarin ze geschreven zijn. Volgens Einstein is dat precies de positie van de menselijke geest tegenover God, zelfs van de meest ontwikkelde en briljante geest. We nemen waar dat er een orde, een samenhang en wetten zijn die het heelal beheersen. Maar we begrijpen die wetten slechts beperkt en gedeeltelijk. Hier spreekt een wetenschapper die zich tegenover het onbekende niet arrogant opstelde, maar een diep gevoel van intellectuele bescheidenheid behield. Vanuit diezelfde bescheidenheid leek hij oprecht de grootheid van Jezus te erkennen, zonder zichzelf christen te noemen. Wat meer historische context helpt om het gewicht van die uitspraak te begrijpen. De jaren twintig waren een periode van fel debat tussen wetenschap en religie. De wereld ondervond nog steeds de gevolgen van Darwins ontdekkingen, de toenemende secularisering van de Europese en Amerikaanse samenleving en een krachtige beweging die wetenschap en geloof tegenover elkaar plaatste, alsof ze vijanden waren. Veel intellectuelen namen openlijk atheïstische standpunten in en behandelden religieuze figuren met minachting. Als de meest gerespecteerde intellectueel van zijn tijd had Einstein gemakkelijk hetzelfde kunnen doen en elke respectvolle opmerking over Jezus kunnen vermijden. Maar dat deed hij niet. Integendeel, hij ging juist de andere kant op. Hij sprak publiekelijk zijn oprechte bewondering voor Jezus uit, ook al liep hij daarmee het risico dat andere wetenschappers hem verkeerd begrepen. Dat zegt veel over zijn karakter. Hij koos niet voor een kamp in het debat, maar beschreef eerlijk wat hij voelde bij het lezen over Jezus’ leven en onderricht. Juist die eerlijkheid maakt het verhaal ook vandaag nog zo krachtig. Bijna honderd jaar later willen we even stilstaan en u uitnodigen tot een persoonlijke overweging. Ongeacht uw geloof — of u nu christen bent, een andere religie aanhangt, agnostisch bent of zelfs atheïst — is er iets diep menselijks aan de vaststelling dat een van de briljantste geesten uit de geschiedenis naar Jezus keek en niet onverschillig kon blijven. Einstein deed Jezus niet af als zomaar een legende. Hij beschouwde de evangeliën niet als waardeloze verhalen. Hij herkende er juist iets levends en werkelijks in, iets dat verder ging dan een eenvoudig historisch verslag of een oude mythe. Misschien is dat de belangrijkste les van dit verhaal. We moeten Einsteins mening niet als definitief bewijs gebruiken, want de opvatting van een wetenschapper, hoe briljant ook, bepaalt geen religieuze waarheid en vervangt niemands persoonlijke geloof. Einstein zou waarschijnlijk zelf zeggen dat hij nooit als geestelijk gezag wilde worden beschouwd, maar als iemand die oprecht probeerde de wereld te begrijpen, met inbegrip van de grote vragen over bestaan, moraal en de zin van het leven. Wat overblijft, en wat we uit dit verhaal kunnen meenemen, is de uitnodiging tot eerlijke bezinning. Zelfs met alle middelen van wetenschap, logica en rede tot zijn beschikking koos Einstein ervoor Jezus niet te negeren. In zijn eigen woorden erkende hij iets bijzonders: iets lichtends, goddelijks en vol leven. Uit de mond van iemand die zijn hele leven theorieën toetste, zekerheden bevroeg en bewijs zocht voordat hij een bewering aanvaardde, is dat meer dan een historische bijzonderheid. Verhalen als deze laten zien dat wetenschap en geloof niet altijd tegenover elkaar hoeven te staan. Zelfs de meest rationele geesten kunnen in Jezus iets vinden dat oprechte bewondering oproept.

bottom of page